De laatste tijd vraag ik mij af of het weglaten van menselijke figuren in mijn werk een keuze is die ik werkelijk wil blijven volhouden. Ik merk dat ik zelf steeds vaker geraakt word door kunstwerken waarin de mens zichtbaar, herkenbaar en expliciet aanwezig is.
Onlangs bezocht ik de expositie van Mark Manders in Voorlinden. Wat mij daar opviel, was dat de portretten ( de koppen die in zijn werk te zien zijn) geen uitdrukking hebben, geen emotie. Ze lijken qua expressie allemaal hetzelfde. De emotie die bij mij werd opgeroepen, kwam niet voort uit het gezicht zelf, maar uit de plaatsing, de schaal, de context van de omgeving en het materiaal waarin die kop (zoals ik het nu noem) was opgenomen.
Aan het begin van mijn opleiding aan de Nieuwe Academie Utrecht heb ik mezelf opgelegd om voorlopig geen menselijke portretten of figuren in mijn werk te laten zien. Dat deed ik bewust, vanuit het idee dat ik zo andere manieren zou ontdekken om emoties te verbeelden: door menselijke waarden en behoeften meer symbolisch vorm te geven. Als representaties, als verwijzingen naar menselijke gevoelens. Daardoor ben ik steeds meer mechanische en technische onderwerpen gaan tekenen, met symbolische lijnen die verwijzen naar een behoefte aan menselijke verbinding. Dit laat veel ruimte voor persoonlijke interpretatie door de kijker.
Zeker is dat ik hierdoor in een ontwikkeling ben terechtgekomen die ik van tevoren niet had kunnen bedenken. Ik heb mezelf toegestaan het helemaal anders aan te pakken en te doen wat zich aandiende, experimenterend, zonder steeds het gevoel te hoeven hebben dat dit ‘het’ moest zijn. Elke tekening of sculptuur nodigt weer uit om iets anders te proberen. Tegelijkertijd waak ik ervoor dat het niet alle kanten op gaat; dat is mijn valkuil. Ik heb veel ideeën en de neiging om de breedte in te gaan, waardoor ik mijn richting kan kwijtraken. In de eerste twee jaar van de academie is dat vaak juist de bedoeling, maar ik weet van mezelf dat ik dan het overzicht verlies. Mijn doel met deze opleiding was juist om mijn eigen richting te vinden.
Daarom experimenteer ik steeds vanuit het vorige werk. Zo blijf ik zelf de verbinding (daar is hij weer) voelen en zien tussen de stappen die ik zet in mijn ontwikkeling. Intussen doe ik veel ervaring op met nieuwe werkwijzen, vaardigheden en beeldopvattingen, door dingen te doen die ik nooit eerder heb gedaan, zonder mezelf daarin te verliezen.
Als ik nu terugkijk naar mijn portretten in kleur, waarvan een docent in het eerste jaar opmerkte dat ze wel erg ‘in your face’ waren (wat klopt, en ook precies de bedoeling was), zie ik veel duidelijker dat deze portretten daadwerkelijk verbeeldden wat ik erin wilde leggen aan emoties, gevoelens en behoeften. Ze waren niet slechts een presentatie waarin vorm en inhoud samenvielen. Anders gezegd: mijn portretten overstijgen de werkelijkheid (door kleurgebruik, standpunt, kadrering, materiaal en behandeling) om een complexe betekenis over te brengen en zo de representatie te versterken. Het gaat niet om de persoon op zich, maar om wat het beeld emotioneel oproept bij de kijker.
Dit klinkt misschien ingewikkeld en dat is het ook. Ik worstel met de richting waarin ik me nu ontwikkel en merk dat ik steeds meer verlangen voel naar het verbeelden zoals ik dat eerder deed. Dat kende ik, al bracht het me niet per se veel nieuws. Misschien is het tijd om mezelf toe te staan om menselijke figuren weer op een of andere manier een plek te geven in mijn werk. Dat doe ik inmiddels al, doordat ik weer ben begonnen met modeltekenen bij Willem Vreeswijk. Dit nodigt mij uit om het model, de figuur of het portret te gebruiken als aanleiding voor het verbeelden van emoties en gevoelens, en om zo ook die emotionele verbinding zichtbaar te maken , of teweeg te brengen bij de kijker.
Tegelijkertijd is het heerlijk om abstract te werken, te tekenen en sculpturen te maken. Het geeft me vrijheid om te proberen, te ontdekken en te vernieuwen, en dat sluit ook aan bij de insteek van de academie in de eerste twee studiejaren.
Als ik mijn epistel zo teruglees, denk ik dat beide richtingen ruimte mogen krijgen. Ik zoek nog naar de intrinsieke verbinding in mijn werk. Misschien scheid ik het nu nog te veel: werk voor de NAU versus modeltekenen, tekenen versus sculpturen maken. Mijn vorige blog ging over ‘allemaal familie’. Wellicht is mijn twijfel onterecht en ben ik gewoon op het juiste pad. Tegelijkertijd zorgt twijfel er ook voor dat ik steeds opnieuw begin of verder ga, want het is nooit af. Ik ben echt aan het studeren.
En dit is pas het tweede jaar.