
Nu denk je misschien, net als ik, dat het hier louter om menselijke familie gaat. Maar het is ‘nee’ én ‘ja’. De eerste werkbespreking van dit tweede Akademiejaar bracht nieuwe termen, een nieuwe taal; of eigenlijk oude termen die in deze context gebruikt worden als kunst-termen. Voor nu noem ik het maar ‘kunstige taal’. Voor mij persoonlijk blijken er veel overeenkomsten te zijn tussen die kunstige taal en de taal uit mijn oude vak: de therapeutische taal, het zogenaamde therapeutisch jargon. Hoe zou deze taal in de kunst genoemd worden?
De aanleiding was het kijken naar mijn werk: kleine papieren sculptuurtjes en tekeningen in grafiet en houtskool. In mijn tekeningen lopen (verbindings-)lijnen die verwijzen naar emotionele draden, relationele verbindingen en structuren. Voor mij heeft dat alles te maken met het verlangen van mensen naar verbinding. De onderwerpen en voorwerpen die ik teken verwijzen naar patronen en innerlijke structuren: mechanismen die naast elkaar, met elkaar, elkaar rakend of missend bestaan; dik, dun, groot, klein, om maar iets te noemen.
De taal die ik hiervoor gebruik lijkt sterk op de taal uit mijn therapiepraktijk, vooral die van de systeemtherapeut. In plaats van ‘praten met cliënten’, waar taal één van de belangrijkste vervoermiddelen van gevoel en emotie is, zoek ik nu naar een andere uitingsvorm. Papier als materiaal helpt daarbij, juist omdat het zowel sterk als kwetsbaar is. (Het kan heel krachtig zijn om je kwetsbaarheid te tonen.)
Mijn tekeningen, met hun vormen en lijnen. richtinggevend, verdwalend, licht en donker, zichtbaar en bijna onzichtbaar, kunnen gelezen worden als een landschap van verbanden en verlangens. Een verwarrende wereld die soms technisch oogt, maar juist over de voelbare binnenkant gaat: emoties, lichamelijke sensaties, lichamelijke integriteit. Zo zoek ik mijn eigen taal in het beeldende werk dat ik maak. Even tot hier…
Dit alles heb ik natuurlijk níét gezegd tijdens de werkbespreking op de Akademie. In het eerste jaar heb ik vooral geleerd niet meer over de inhoud te praten, maar het beeld zelf te laten spreken. En dat gebeurde. De sculpturen deden volgens de ene docent denken aan maquettes voor groter werk. De tekeningen vond een andere docent technisch. Eén vraag bleef echter sterk resoneren: of ik overeenkomsten zag tussen het ruimtelijke werk en de tekeningen.
Ik kon natuurlijk niet over al mijn bovenstaande overwegingen uitweiden; dat zou te lang zijn én te inhoudelijk. Mijn hoofd zocht koortsachtig naar een eenvoudig antwoord. Ik zei iets over lijnen en richtingen…
Waarop de docent zei: “Je kunt heel goed zien dat dit allemaal familie is van elkaar.”
Yes! Deze taal ken ik!
Ineens voelde ik me gezien in mijn werk en in de richting die ik opga in mijn ontwikkeling ook al zijn het twee verschillende disciplines (ruimtelijk en tekenen). We verstaan elkaar meer dan ik dacht. Wat fijn dat de kunstige taal zoveel overeenkomsten heeft met de therapeutische taal, de menselijke taal, de taal van woorden en beelden, metaforen en innerlijke structuren… Je zou bijna denken dat het allemaal familie is.